Hiervoor moeten wij in de geschiedenis teruggaan tot de nazomer van 1783.
Holland eind 18e eeuw
De toestand in Holland in die tijd was heel slecht, o.m. door de zeer ingrijpende vierde Engelse oorlog die de handel lam legde. In brede lagen van het volk heerste al jaren ontevredenheid over het beleid van prins Willem V. Men leed onder de druk der tijden. Het wanbeheer van de stadhouder en de regering maakte dat men snakte naar veranderingen. Met het uitbreken van de Franse Revolutie dacht men dat het heil en de verlossing van die kant zou moeten komen .
Er ontstonden binnen Holland verschillende groepen waaronder:
- de Oranje- of prinsgezinden (Orangisten), vooral bestaande uit de adel en verschillende regenten die de kant hadden gekozen van de stadhouder-prins van Oranje,
- de democratische patriotten, een groep burgers die de “democratische” ideeën van de Franse Revolutie en later de Verenigde Staten van Amerika uitdroegen,
- de aristocratische patriotten, regenten die af willen van de stadhouders van de Oranje. Naarmate de democratische patriotten radicaliseerden en ook de privileges van de aristocratische patriotten bedreigden, sloot een deel van de aristocraten rond 1785 een verbond met de orangisten.
- En ten slotte de allerarmsten die meeliepen met degenen die het meest betaalden, zoals de Orangisten die met jenever en geld de gunst wisten te krijgen van wat genoemd werd ‘het gepeupel’.
De jaren 1780–1787 waarin de patriotten de Nederlandse politiek domineerden wordt wel de Patriottentijd genoemd.
De patriotten eisten hervormingen in het bestuur, begonnen zich te wapenen en drongen in de loop der jaren in steeds meer steden aan op een democratische verkiezing van het stadsbestuur (de vroedschap). Eén van de manieren waarop men dit wou bereiken was door burgerbewapening. Deze burgerbewapening diende zeker niet alleen een eng-militair doel, maar was vooral ook een demonstratie van burgerzin, democratische ambitie (zoals blijkt uit het kiezen van officieren) en politiek activisme. Burgerbewapening speelde niet alleen in Nederland, maar in half Europa en de Nieuwe Wereld een belangrijke rol bij de verspreiding van nieuwe ideeën.
In 1786 en 1787 escaleerde het conflict tussen de patriotten en prinsgezinden zodanig dat er gevechten uitbraken en er een korte burgeroorlog woedde. Een Pruisische inval in september–oktober 1787 bewerkstelligde vervolgens de Oranjerestauratie, waarna het stadhouderlijk stelsel nog zeven jaar kon worden voortgezet. Duizenden patriotten vluchtten naar Frankrijk en kwamen pas terug na de succesvolle revolutionaire Franse veldtocht in de Nederlanden (1792–1795), waar ook Nederlandse patriotten aan deelnamen met het Bataafs Legioen.
Delftse patriotten
Delft was in 1783 betrekkelijk Oranjegezind en ook de bestuurders van de in Delft gevestigde Kamer van de V.O.C. voelden niet veel voor veranderingen.
Bij enige burgers van Delft rijpte het plan om, zoals dat reeds was geschied in meer plaatsen, te komen tot een gewapend burgerkorps. De bestaande burgerwachten voldeden in hun visie niet meer en de burgers moesten zelf exercitiegenootschappen, zg. ‘vrijkorpsen’, vormen om zich te beschermen tegen de troepen van de prins en het oproerige gepeupel dat omgekocht werd om de zijde van de prins te kiezen.
In 1783 werd het exercitiegenootschap ‘Tot herstel der Delfische Schutterij voor Vrijheid en Vaderland’ opgericht. Van de oprichting af weerde dit ‘Schutterlijk Genootschap van Wapenoefening’ zich geducht onder voorzitterschap van Gerrit Paape. Ook ds. Wijbo Fijnje, redacteur van de veel gelezen en in Delft uitgegeven patriottische “Hollandsche Historische Courant”, Joost Vrijdag en Aernout Willem van Haeften, -die majoor van het genootschap was-, waren vooraanstaande leden.
Delft leverde geregeld leden van zijn genootschap aan het legertje te Woerden. Ze bleven daar meestal 14 dagen en werden dan afgelost. Het legertje brak op zondag 19 augustus 1787 op om mee te helpen in de verschillende dorpen en steden om de omwenteling te bewerkstelligen. Reeds op 10 juli had het Delftse Genootschap ‘burgergecommitteerden’ aangewezen die toezicht op de stadsregering zouden moeten houden. Zij ondertekenden een ‘Acte van Qualificatie’ waarmee ze zich verplichtten alles te doen voor ver betering van het stadsbestuur. De zittende stadsregering kreeg intussen versterking van 24 man cavalerie van de graaf van Bentinck, en het pas opgerichte Orangistische ‘Oranjevendel’ oefende – tegen de zin van de patriottische burgers – geregeld buiten de poorten van Delft. In augustus 1787 kwam het vliegende patriottenlegertje onder leiding van de Delftenaar A.G. Mappa voor de stad en de kapitein van de grenadiers van het ‘Delfische genootschap’, Adam van den Goorberg, kwam met vliegende vaandel en slaande trom de stad binnen. De gecommitteerden, onder wie Joost Vrijdag en Wijbo Fijnje, zetten 11 veertig-raden (leden van de gemeenteraad) af en vervingen hen door patriotten.
Deze afzetting verliep vrij rustig. Majoor A.W. van Haeften nam op de Markt de eed van trouw af op het nieuwe bestuur. De oude schutterij, veelal bestaande uit Oranjegezinden, werd vervangen door leden van het vrijkorps. Het legertje dat al die tijd buiten de poorten van Delft was gelegerd brak 30 augustus op en vertrok naar Rijswijk.
De vreugde was echter van korte duur. Door de andere gebeurtenissen in het land moesten ook de Delftse patriotten hun verkregen, -of liever genomen-, voorrechten weer teruggeven; de voormalige leden van de gemeenteraad keerden terug. Het gepeupel van ‘s-Gravenhage kwam in groten getale de stad binnen en plunderde de huizen van vooraanstaande patriotten. Men wist zeer goed waar men moest zijn. Zo werden de huizen van Joost Vrijdag, Wijbo Fijnje en Willem Noodt (bij de bevrijding in 1795 de eerste voorzitter van de municipaliteit, later een van de bekendste leden van Silentium) het slachtoffer. Maar ook vergiste men zich wel (opzettelijk) en vernielde de huizen van niet-patriotten en leden van de oude vroedschap. Zo ook het huis van de vader van het latere lid van Silentium mr. J. W. van Vredenburch. Op de Haagweg werd de herberg ‘De Koetswagen’ dichtbij de uitspanning Reineveld geheel vernield, omdat daar de patriotten geregeld hun oefeningen hielden.
Op 20 september 1787 trokken de Pruisische troepen Delft binnen, maar trokken verder en kampeerden bij Rijswijk. ’s Middags was de prins terug in Den Haag en werd hij hersteld in al zijn waardigheden. Dezelfde dag werd het “Genootschap der Wapenhandel Tot herstel der Delftsche Schutterij voor Vrijheid en Vaderland” opgeheven. Nicolaas van der Velden, nu gewezen officier van het genootschap, werd gearresteerd en verhoord.
Wat hier voor Delft is beschreven, geschiedde in vrijwel het gehele land. De Pruisische troepen herstelden overal de ‘orde’, gesteund door het feit dat de Engelsen daarmee akkoord gingen. De Fransen kwamen hun toezegging zo nodig de patriotten te hulp te komen niet na. Hiermee was deze kleine revolutie op niets uitgelopen. De patriotten vluchten.
Bij besluit van 29 juli 1788 werd door het ‘College van de Heren van de Weth’ van Delft de hoofdmannen van de patriotten de toegang tot de stad ontzegd (‘gebannen wegens gekwetste Majesteit … ten eeuwigen dagen uit Holland, Zeeland, Friesland en Utrecht’). Tot hen behoorden Gerrit Paape, Wijbo Fijnje, Joost Vrijdag, Aernout Willem van Haeften, Nicolaas van der Velden en vele anderen. Ook Jacob Vermaas verliet de stad.
Enkelen komen terecht in Duinkerken, waar zij in 1790 gezamenlijk met lotgenoten uit andere steden, onder Frans gezag, een vrijmetselaarsloge oprichtten. De naam van de Loge was veelzeggend “Les Vrais Bataves”.
In 1795 keert het tij voor de patriotten ten goede. Gesteund door Franse troepen
grijpen ze definitief de macht. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden wordt
ingewisseld voor de Bataafse Republiek.
Oprichting Loge Silentium
De gevluchte patriotten komen in 1795 terug in Delft. De Loge “Les Vrais Bataves” ging in Den Haag verder onder de naam “De Waare Bataven”. De leden die in Delft woonden moesten toen regelmatig naar Den Haag om hun Loge te bezoeken. Dit was in die tijd geen sinecure. Een tochtje met de trekschuit van Delft naar Den Haag nam al gauw een paar uur in beslag, en dan moesten ze ook weer terug, zodat een bezoek zonder overnachting eigenlijk niet te doen was!
Op 20 januari 1801 werd een bijeenkomst georganiseerd in huis Ter Lucht aan de Rotterdamseweg, net buiten de poort van de stad Delft. Er werd besloten om een verzoek aan het Grootoosten van de Bataafsche Republiek te richten voor het constitueren van een Delftse Loge onder de naam “Silentium”.

