De oprichters van Silentium

Op 20 januari 1801 werd een bijeenkomst georganiseerd in huis Ter Lucht aan de Rotterdamseweg, net buiten de poort van de stad Delft. Er werd besloten om een verzoek aan het Grootoosten van de Bataafsche Republiek te richten voor het constitueren van een Delftse Loge onder de naam “Silentium”.

De oprichters waren:

  • François Willem Mauritius Ruysch.

Hij is gedoopt op 20 juni I762 in ’t Woud, waar zijn vader predikant was. Zijn familie kwam uit Amsterdam, waar zij – naar verondersteld wordt – behoorde tot de regentenklasse. Hij is in 1781 als 19-jarige ingewijd door de Loge ‘De Eendragt’, de Loge die ‘zijn Silentium’ zou installeren. Ruysch is in februari 1795 en ook later in Delft een zeer actief en radicaal revolutionair patriot. Hij behoort bij de eersten die door de burgers verkozen worden om hen te vertegenwoordigen en wordt tot hoofdschout van de gemeente Delft benoemd, wat hij tot 1798 blijft. Hij wordt na enige tijd met van der Velden naar Daendels gestuurd om te trachten deze te bewegen het aantal troepen te Delft te verminderen, hetgeen hun maar gedeeltelijk lukt. In 1795 wordt Ruysch afgevaardigd naar de Centrale vergadering van Clubs en Sociëteiten – de voorloper van de Nationale Vergadering – en in september is hij haar voorzitter. Hij blijft in het politieke leven van Delft een belangrijke rol spelen. Bij de eerste ‘staatsgreep’ in Den Haag (22 januari 1798) is hij vóór de daar voorgestelde veranderingen, maar bij de tweede (4 mei 1798) is hij tégen. Het gevolg is dat hij in juni wordt afgezet. In november 1798 is er een complot om de regering omver te werpen en daarbij is ook hij betrokken. Het loopt echter op niets uit en de rol van de meer ‘radicale’ patriotten is uitgespeeld. In 1801 wordt hij nog wel gekozen in het departementaal bestuur, maar men weert hem daar: de reactionaire krachten hebben dan allengs de overhand gekregen. De Gedeputeerd Grootmeester, mr. J. A. Uitenhage de Mist, wordt door de regering naar Zuid-Afrika gestuurd om het bestuur aldaar te reorganiseren en hij neemt in juli 1802 Ruysch mee.

  • Gerardus Wolters,

Geboren 1750. Hij is in 1785 lid van het exercitiegenootschap en speelt vooral een belangrijke rol na de bevrijding in 1795. Hij wordt opgenomen in de municipaliteit (de nieuwe gemeenteraad), krijgt daar verschillende belangrijke opdrachten en doet veel voor het herstel in Delft. Later gaat hij naar Leiden waar hij op 10 mei 1796 tot vrijmetselaar wordt ingewijd in de Loge ‘La Vertu’.

  • Jacob Vermaas.

Hij is geboren in 1747, huwt tweemaal en krijgt uit die twee huwelijken vijf kinderen. Hij is meester-schilder en -verver. Hij was in 1785 één van de oprichters van het exercitiegenootschap. Na de gebeurtenissen in 1787 moet hij vluchten met achterlating van zijn vrouw en de vijf kinderen. Zes jaren verblijft hij in Duinkerken waar hij als grenadier dienst doet bij de Garde National. In 1793 wordt hij in Duinkerken vrijmetselaar in de Loge ‘De Waare Bataven’. In 1795 komt hij in Holland terug en verblijft meer dan een jaar zonder inkomsten te Delft. Hij is president van de vergadering van stemgerechtigde burgers binnen Delft. Hij is altijd een goed en strijdvaardig patriot geweest.

  • Christiaan Paulus van Essen,

Geboren 3 maart 1770. Oorspronkelijk instrumentmaker. Hij wordt in 1795 in Delft door de nieuwe bewindslieden tot officier der schutterij benoemd en is lid van de krijgsraad daarvan. Later zal hij bij de politie komen. Op 6 december 1800 wordt hij tot vrijmetselaar ingewijd in de Loge ‘De Waare Bataven’ welke dan in Den Haag werkzaam is. Hij wordt Ontvanger der Verpondingen.

  • Nicolaas van der Velden Pieterszoon,

Hij was eveneens lid van het exercitiegenootschap , moet na 1787 vluchten en komt ook in Duinkerken terecht. Hij is daar één van de eerste nieuwe leden die door de Loge ‘Les Vrais Bataves’ wordt aangenomen. Van der Velden blijft al die tijd in Duinkerken en komt in 1795 terug naar Delft. Daar wordt hij tot ‘Capteyn’ van de schutterij benoemd en hij speelt vooral in de eerste dagen samen met Ruysch een belangrijke rol. Hij treedt op namens het ‘volk’ en zit in een door de burgers benoemde commissie om haar belangen te behartigen. Wanneer er met generaal Daendels moeilijkheden zijn over het aantal troepen in Delft, wordt hij naar hem afgevaardigd. Na 1795 is hij één van de felste patriotten. In maart 1795 wordt hij schout in Nootdorp en in 1797 ook van Vrijenban,

  • Petrus Messing

Hij is in 1767 geboren in Amsterdam. In 1793 wordt hij vrijmetselaar in de Loge ‘La Paix’. In september 1796 meldt hij zich als lid bij de Loge ‘De Waare Bataven’ te ‘s-Gravenhage

  • Nicolaas N. van Helden

Ook hij is lid van het exercitiegenootschap. Hij is in 1789 als vrijmetselaar aangenomen in de ambulante Militaire Loge ‘L’Union Helvétique’ die in 1788 werd opgericht. Deze Loge had geen vaste verblijfplaats. Op 17 februari 1798 meldt hij zich als lid aan bij de Loge ‘De Waare Bataven’.

  • Nicolaus Zacharias van der Kloot

Is ook een van de leden van het exercitiegenootschap geweest. In 1756 geboren, wordt hij boekdrukker; alle Logereglementen zijn bij hem gedrukt. Men benoemt hem tot regent van het ziekenhuis te Delft. Hij wordt ingewijd in de Loge ‘Le Véritable Zèle’ te ‘s-Gravenhage, welke in 1800 wordt opgeheven.

  • Jan Willem Willemse,

Geboren te Arnhem. Hij is wel aanwezig op de eerste avond, maar heeft zich nooit als lid aangemeld. Hij was nl. militair en werd vermoedelijk steeds overgeplaatst. Toch is hij in Duinkerken jarenlang lid van de ‘De Waare Bataven’ geweest, waar hij in november 1790 tot vrijmetselaar wordt ingewijd.

Om een plaatselijke vrijmetselaarsloge te kunnen starten is goedkeuring (een constitutiebrief) van de landelijke vrijmetselaarsorde nodig. Reeds op 7 april 1801 wordt de constitutiebrief ontvangen van de secretaris van het landelijke hoofdbestuur de Grootsecretaris Nationaal. Dit wordt als officiële oprichtingsdatum aangemerkt. De Loge is dan nog niet officieel geïnstalleerd. Dat zou gebeuren door de voorzittend meester van de Loge “De Waare Bataven” uit Den Haag. Vanwege zijn gezondheid, werd de installatie echter keer op keer uitgesteld. Wel zijn ondertussen al een aantal nieuwe leden ingewijd, zodat de Loge een wat breder draagvlak kreeg. Op 20 februari 1802 kon dan eindelijk de installatie plaatsvinden. Omdat de voorzittend meester van de Loge “De Waare Bataven” hiertoe nog steeds niet in staat was, heeft de Grootmeester Nationaal de voorzittend meester van loge “De Eendracht” te Rotterdam hiertoe afgevaardigd. Het wordt een bijzonder feest met veel visiterende broeders en een kostelijk broedermaal.